Passief toekijken terwijl verliezen oplopen: een kostbare vergissing
Een bestuurder die jaar na jaar toeziet hoe een vennootschap verlies lijdt, crediteuren onbetaald blijven en het eigen vermogen wegsmelt — zonder in te grijpen — loopt een reëel risico persoonlijk aansprakelijk te worden gesteld voor het gehele tekort in het faillissement. Dat is de harde boodschap van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in haar vonnis van 14 mei 2025.
De rechtbank veroordeelde de bestuurders van een failliete bv hoofdelijk tot betaling van het boedeltekort op grond van kennelijk onbehoorlijk bestuur (art. 2:248 BW). Een voorschot van maar liefst € 2.000.000 werd direct toegewezen, terwijl het uiteindelijke tekort naar verwachting in de miljoenen zal oplopen.
Wat speelde er?
Binnen een concern werd in 2016 een nieuwe bv opgericht — laten we haar de 'Failliete BV' noemen — die de activiteiten voortzette van een dochtermaatschappij die zojuist failliet was verklaard. De Failliete BV produceerde afsluiters voor de olie- en gasindustrie en leverde deze vrijwel uitsluitend aan één zustermaatschappij binnen de groep.
De structuur van het concern was van meet af aan problematisch:
- De Failliete BV had geen eigen klanten buiten de groep en geen externe financiering.
- Zij was volledig afhankelijk van groepsbevoorschotting en interne rekening-courantverhoudingen.
- Door de transfer-pricingafspraken binnen het concern realiseerde de Failliete BV nooit een reële winstmarge.
- Vanaf haar oprichting in 2016/2017 leed zij elk jaar aanzienlijk verlies: het eigen vermogen daalde van -/- € 1,4 miljoen in 2017 tot -/- € 11,2 miljoen in 2023.
Toen de groepsfinanciering werd stopgezet, was het faillissement onvermijdelijk. De bv werd failliet verklaard en de curator startte een procedure wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur.
De verwijten van de curator
De curator richtte zijn pijlen op drie fronten:
1. Kennelijk onbehoorlijk bestuur (art. 2:248 BW)
Het bestuur had jarenlang een verlieslatende structuur in stand gehouden waarbij de Failliete BV feitelijk functioneerde als 'stroppenvennootschap': de crediteuren (waaronder de Belastingdienst, verhuurder en werknemers) droegen de risico's, terwijl de winst bij andere groepsmaatschappijen belandde.
2. Bestuurdersaansprakelijkheid (art. 2:9 BW) en onrechtmatige daad (art. 6:162 BW)
Het bestuur had zijn taakvervulling ernstig verwaarloost door geen maatregelen te treffen om crediteuren te beschermen.
3. Faillissementspauliana (art. 42 Fw)
In de aanloop naar het faillissement werden de laatste vermogensbestanddelen van de Failliete BV — machines en voorraad — overgedragen aan een zustermaatschappij, zonder dat de koopsom daadwerkelijk werd betaald. In plaats daarvan werd slechts verrekend via rekening-courant.
Het verweer van het bestuur
Het bestuur voerde een reeks verweren aan:
- De verliezen waren het gevolg van externe factoren: de coronapandemie, de Suez-crisis en de energiecrisis.
- De risicovolle concernstructuur was al in 2016/2017 opgezet en viel daarmee buiten de driejaarsperiode van art. 2:248 lid 6 BW.
- Jaarlijkse déchargeverlening zou het bestuur hebben gevrijwaard van aansprakelijkheid.
- De overdracht van activa had het vermogen van de bv niet benadeeld, omdat de koopsom in rekening-courant was verrekend.
- Het bestuur had juist zijn uiterste best gedaan: eigen middelen ingezet, afspraken gemaakt met de Belastingdienst.
Geen van deze verweren slaagde.
Het oordeel van de rechtbank
De driejaarsperiode
Het meest inventieve verweer was dat de structuur al vóór de driejaarsperiode was opgezet en dus buiten het bereik van art. 2:248 BW zou vallen. De rechtbank verwierp dit: het gaat er niet om wanneer de structuur werd opgetuigd, maar om het actief voortzetten ervan. Het bestuur had jaar na jaar bewust gekozen om de verlieslatende activiteiten voort te zetten, wetende welke risico's dit voor crediteuren meebracht. Die voortdurende keuze viel wél binnen de driejaarsperiode.
Décharge biedt geen bescherming bij art. 2:248 BW
Dat aandeelhouders jaarlijks décharge hadden verleend, mocht het bestuur niet baten. Art. 2:248 lid 6 BW bepaalt uitdrukkelijk dat décharge de aansprakelijkheid op grond van kennelijk onbehoorlijk bestuur niet opheft. Décharge werkt slechts in de interne verhouding tussen bestuur en vennootschap; de curator kan dit niet worden tegengeworpen.
Paulianeuze transacties
De overdracht van machines en voorraad aan de zustermaatschappij — met verrekening in rekening-courant in plaats van werkelijke betaling — was paulianeus. De rechtbank bevestigde dat de verrekening crediteuren benadeelde: de rekening-courantvordering die daarvoor in de plaats kwam, was immers waardeloos. De curator had deze transacties terecht vernietigd op grond van art. 42 Fw.
Kennelijk onbehoorlijk bestuur: het vennootschappelijk belang opgeofferd
De kern van het oordeel: het bestuur had het belang van de Failliete BV opgeofferd aan het belang van de groep. De vennootschap functioneerde feitelijk als verliesopvanger voor de rest van het concern, terwijl haar crediteuren het gelag betaalden. Dat is geen ondernemen — dat is kennelijk onbehoorlijk bestuur.
De externe factoren (corona, Suez, energie) werden wel meegewogen, maar de rechtbank oordeelde dat juist het kennelijk onbehoorlijk bestuur — en niet de externe omstandigheden — de belangrijke oorzaak van het faillissement was geweest.
De lijn Comsys doorgetrokken
De rechtbank volgde bewust de lijn uit het Comsys-arrest (ECLI:NL:HR:2009:BH4033), waarin de Hoge Raad een moedermaatschappij aansprakelijk hield voor de schulden van haar dochter op grond van onrechtmatige daad. De structuur was vergelijkbaar: een dochter die uitsluitend verliesgevende activiteiten uitvoerde, volledig afhankelijk was van de groep en waarvan de crediteuren onbeschermd bleven.
Waar Comsys de aansprakelijkheid baseerde op art. 6:162 BW (onrechtmatige daad), trekt de rechtbank Zeeland-West-Brabant die lijn nu door naar art. 2:248 BW — de faillissementsspecifieke bestuurdersaansprakelijkheid. Dat is een significante uitbreiding: art. 2:248 BW leidt tot hoofdelijke aansprakelijkheid voor het gehele boedeltekort.
Wat betekent dit voor u als ondernemer of bestuurder?
Als u bestuurder bent van een vennootschap binnen een concern:
- Bent u bestuurder van een vennootschap die structureel verlies lijdt en volledig afhankelijk is van groepsfinanciering? Dan loopt u een reëel risico op persoonlijke aansprakelijkheid als uw vennootschap failliet gaat.
- Het is niet relevant of u de concernstructuur zelf heeft opgezet. Als u haar bewust voortzet terwijl crediteuren onbeschermd blijven, kunt u aansprakelijk worden gesteld.
- Décharge van de aandeelhoudersvergadering beschermt u niet tegen een vordering van de curator op grond van art. 2:248 BW.
- Onderneem actie: zorg voor een reëel businessplan, bescherm crediteuren, en overweeg tijdig surseance of faillissement aan te vragen als continuering niet verantwoord is.
Als uw vennootschap handelt met een concernonderdeel dat structureel verlies lijdt:
- Wees alert: als uw contractspartij een 'stroppenvennootschap' is die volledig leeft van groepsgeld, is de kans groot dat u bij faillissement achterblijft met een onverhaalbare vordering.
- Overweeg extra zekerheden te bedingen (garanties, borgtochten, pandrecht) voordat u zaken doet.
Bij overdrachten binnen concernverband:
- Wees uiterst voorzichtig met het overdragen van activa van een noodlijdende vennootschap aan andere groepsmaatschappijen, ook als de koopsom in rekening-courant wordt verrekend. De curator kan dergelijke transacties paulianeus laten vernietigen.
- Zorg voor een reële waardering en daadwerkelijke betaling — niet slechts verrekening.
Conclusie
Deze uitspraak is een krachtige waarschuwing aan bestuurders binnen concernstructuren: passiviteit is geen excuus. Wie jaar na jaar toekijkt terwijl een vennootschap verlies lijdt, crediteuren onbetaald blijven en het eigen vermogen wegsmelt — zonder maatregelen te nemen — riskeert persoonlijk aansprakelijk te worden gesteld voor het volledige faillissementstekort. Dat kan, zoals deze zaak illustreert, oplopen tot een bedrag in de miljoenen.
De boodschap is helder: als bestuurder draagt u een actieve verantwoordelijkheid voor het belang van de vennootschap en haar crediteuren — ook als de structuur u door anderen is opgelegd.
Uitspraak
Deze blogpost is gebaseerd op ECLI:NL:RBZWB:2025:5501, vonnis van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 mei 2025.
Heeft u juridische vragen naar aanleiding van deze uitspraak?
Mr. Vincent Besters helpt u graag verder. Neem vrijblijvend contact op voor een eerste gesprek.
Neem contact op →