Terug naar blogOndernemingsrecht

Turboliquidatie geen vrijbrief: bestuurdersaansprakelijkheid als potentiële bate rechtvaardigt faillietverklaring

Mr. Vincent Besters1 juli 2026
Turboliquidatie geen vrijbrief: bestuurdersaansprakelijkheid als potentiële bate rechtvaardigt faillietverklaring

Turboliquidatie: snel en eenvoudig ontbinden — maar niet zonder risico

Turboliquidatie is al jaren een populaire manier om een lege bv snel en goedkoop te ontbinden. Het principe is simpel: als er geen baten meer zijn, kan de vennootschap bij besluit van de aandeelhouder(s) worden ontbonden en houdt zij onmiddellijk op te bestaan — zonder dat een vereffenaar hoeft te worden benoemd. Geen curator, geen langdurige procedure, geen kosten.

Maar turboliquidatie is geen vrijbrief voor bestuurders die schulden achterlaten. De Rechtbank Den Haag maakte op 16 oktober 2024 opnieuw duidelijk dat een geturboliquideerde vennootschap alsnog failliet kan worden verklaard — en dat een mogelijke vordering op de bestuurder wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur daarvoor voldoende is als potentiële bate.

Wat speelde er?

Een schuldeiser (Oak Management B.V.) had een vordering op een bv in liquidatie. De vennootschap erkende de vordering én dat zij meerdere schulden onbetaald liet. Desondanks had zij zichzelf per 2 november 2022 via turboliquidatie ontbonden en uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel, omdat er naar eigen zeggen geen baten meer zouden zijn.

De schuldeiser was het daar niet mee eens en verzocht de rechtbank de vennootschap alsnog failliet te verklaren. Zijn argument: de jaarrekeningen over de jaren 2018 tot en met 2021 waren nooit (tijdig) gedeponeerd. De laatste gedeponeerde jaarrekening dateerde van boekjaar 2017. Pas op de vooravond van de zitting — nadat de advocaat van verweerster zijn cliënt op de discrepantie had gewezen — nam de gevolmachtigde telefonisch contact op met de KvK en deponeerde hij de ontbrekende jaarrekeningen alsnog.

Te laat. De rechtbank hield het ervoor dat niet was voldaan aan de wettelijke deponeringsplicht.

Het wettelijk kader: turboliquidatie en de toets van de rechter

Turboliquidatie is geregeld in art. 2:19 lid 4 BW: als een rechtspersoon op het moment van ontbinding geen baten heeft, houdt hij bij dat besluit op te bestaan. Er vindt geen vereffening plaats.

Maar het oordeel van het bestuur dat er geen baten zijn, is vatbaar voor rechterlijke toetsing. Als een schuldeiser aannemelijk maakt dat er toch (potentiële) baten zijn, kan de rechter de vennootschap alsnog failliet verklaren. De vennootschap wordt dan geacht voor de afwikkeling van het faillissement te zijn blijven bestaan (HR 27 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1631).

De vraag in deze zaak was: levert een mogelijke bestuurdersaansprakelijkheidsvordering op grond van art. 2:248 BW zo'n potentiële bate op?

De redenering van de rechtbank

De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Haar redenering:

  1. Schending deponeringsplicht staat vast. De jaarrekeningen over 2018-2021 zijn niet tijdig gedeponeerd. Dat de gevolmachtigde ze alsnog heeft ingediend vlak voor de zitting doet daar niet aan af.

  2. Art. 2:248 BW activeert een dubbel vermoeden. Schending van de deponeringsplicht in de drie jaar vóór het faillissement leidt tot de wettelijke presumptie dat (a) het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld én (b) dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is.

  3. Iedere (feitelijke) bestuurder is mogelijk hoofdelijk aansprakelijk voor het boedeltekort. Het verweer van de gevolmachtigde dat hij als gevolmachtigde van de stichting-bestuurder te ver van de vennootschap zou staan voor aansprakelijkheid, verwierp de rechtbank als onvoldoende onderbouwd en strijdig met de vaste jurisprudentie. Bovendien bleek hij zelf ook gevolmachtigde van de vennootschap te zijn.

  4. Een mogelijke art. 2:248 BW-vordering = potentiële bate. Summierlijk is gebleken dat er (mogelijke) baten zijn. Aan de overige vereisten voor faillietverklaring is voldaan. De vennootschap wordt failliet verklaard.

De kritische noot: gaat de rechtbank niet te snel?

De blog van Van Iersel Luchtman — mede aanleiding voor deze post — plaatst een terechte kanttekening bij het vonnis. In de rechtspraak bestaat geen eensgezindheid over de vraag of een art. 2:248 BW-vordering überhaupt kwalificeert als een bate van de vennootschap in de zin van art. 2:19 lid 4 BW. Strikt genomen is het een vordering van de curator (ten behoeve van de boedel), niet van de vennootschap zelf. De Hoge Raad heeft zich hier nog niet definitief over uitgesproken, hetgeen leidt tot rechtsonzekerheid.

Bovendien: ook als men aanneemt dat zo'n vordering een potentiële bate kan zijn, mag de rechter niet te lichtvaardig aannemen dat die bate daadwerkelijk bestaat. De enkele schending van de deponeringsplicht is op zichzelf niet voldoende om te concluderen dat de vordering kans van slagen heeft én tot verhaal zal leiden. Daarvoor zijn meer feiten en omstandigheden nodig:

  • Is er werkelijk een boedeltekort?
  • Kan de bestuurder het wettelijk vermoeden weerleggen?
  • Zijn er verhaalsmogelijkheden (vermogen bij de bestuurder)?

In dit vonnis gaat de rechtbank daar niet of nauwelijks op in. De uitkomst — faillietverklaring — is daarmee wellicht juist, maar de onderbouwing is dun.

Wat betekent dit voor de praktijk?

Turboliquidatie met openstaande schulden is risicovol. Schuldeisers kunnen de rechtbank vragen de turboliquidatie te toetsen. Als zij aannemelijk maken dat er potentiële baten zijn — waaronder een mogelijke bestuurdersaansprakelijkheidsvordering — kan de vennootschap alsnog failliet worden verklaard.

De deponeringsplicht is absoluut. Zelfs als jaarrekeningen 'blijven hangen' in het digitale systeem, ligt de verantwoordelijkheid bij de bestuurder om te controleren of deponering daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Last-minute deponering vlak voor een zitting repareerde in deze zaak niets.

Feitelijk bestuurderschap telt. Wie feitelijk als bestuurder optreedt — ook als gevolmachtigde van een stichting-bestuurder — loopt risico op persoonlijke aansprakelijkheid. Een constructie met een stichting als tussenschakel biedt geen automatische bescherming.

Wilt u uw bv ontbinden? Doe dat pas als u er zeker van bent dat:

  • alle schulden zijn voldaan, óf
  • alle schuldeisers hebben ingestemd met de ontbinding zonder betaling,
  • én alle jaarrekeningen tijdig zijn gedeponeerd.

Is dat niet het geval, overweeg dan een reguliere vereffening of — als de vennootschap insolvent is — een eigen aangifte tot faillissement, waarbij u als bestuurder meer controle heeft over het proces.

Conclusie

Deze uitspraak bevestigt dat turboliquidatie geen risicoloze ontsnappingsroute is voor bestuurders die schulden achterlaten. Een mogelijke art. 2:248 BW-vordering kan voldoende zijn als potentiële bate om een faillietverklaring te rechtvaardigen — ook als de vennootschap formeel al heeft opgehouden te bestaan. De rechtsonzekerheid over de kwalificatie van die vordering en de vraag hoeveel aannemelijkheid vereist is, maakt dit een terrein waarop u als bestuurder niet zonder juridisch advies moet opereren.

Uitspraak

Deze blogpost is gebaseerd op ECLI:NL:RBDHA:2024:16981, vonnis van de Rechtbank Den Haag van 16 oktober 2024.


Heeft u juridische vragen naar aanleiding van deze uitspraak?

Mr. Vincent Besters helpt u graag verder. Neem vrijblijvend contact op voor een eerste gesprek.

Neem contact op →

Vragen over dit onderwerp?

Neem vrijblijvend contact met ons op voor persoonlijk advies.

Upload tot 3 relevante documenten (max. 10MB per bestand)

Door dit formulier te versturen gaat u akkoord met de privacyverklaring.

Direct contact