Enquêterecht en vertegenwoordigingsbevoegdheid: een vergeten ontvankelijkheidsvereiste
Wie een enquêteverzoek bij de Ondernemingskamer (OK) wil indienen, moet niet alleen bevoegd zijn tot het instellen van een enquête — de verzoekende rechtspersoon moet ook rechtsgeldig zijn vertegenwoordigd bij de indiening van het verzoekschrift. Dat klinkt voor de hand liggend, maar wordt in de praktijk weleens over het hoofd gezien, met verstrekkende gevolgen.
De OK maakte dit op 17 december 2024 pijnlijk duidelijk: een enquêteverzoek ingediend door één bestuurder van een stichting administratiekantoor (STAK), terwijl de statuten vereisen dat twee van de drie bestuurders gezamenlijk optreden, leidt tot niet-ontvankelijkheid. Dat geldt ook als de andere bestuurders zelf onderwerp zijn van de gestelde misstanden.
Wat speelde er?
De Stichting Administratiekantoor Montagne (STAK) houdt alle aandelen in Montagne Development B.V. (MD). MD is op haar beurt beherend vennoot van een commanditaire vennootschap die eigenaar is van vastgoed in Amsterdam — waaronder hotel Dikker & Thijs aan de Leidsestraat.
Het bestuur van de STAK bestaat uit drie broers: A, B en C. Tussen hen speelt een langlopend familieconflict over de verdeling van een aanzienlijk familiaal vermogen. In een vaststellingsovereenkomst (VSO) hadden de broers afgesproken dat hun belangen zoveel mogelijk worden gesplitst en dat het vastgoed van Montagne CV — waaronder hotel Dikker & Thijs — te koop zou worden aangeboden.
C is van mening dat MD (met haar nieuw benoemde bestuurder D, een zoon van A) de VSO niet naleeft: er worden geen serieuze verkooponderhandelingen gevoerd, de huurovereenkomst met het hotel is opgezegd, en D zou eigen belangen hebben bij het níét verkopen van het hotel. C dient namens de STAK een enquêteverzoek in bij de OK.
Maar: de statuten van de STAK bepalen dat twee van de drie bestuurders gezamenlijk bevoegd zijn de STAK te vertegenwoordigen. C handelt alleen.
Na de indiening roepen A en B een bestuursvergadering bijeen (zonder C) en besluiten het verzoekschrift in te trekken. Een advocaat trekt het namens de STAK in. C betwist de intrekking en betoogt dat hij het verzoek desondanks rechtsgeldig kon indienen.
Het oordeel van de Ondernemingskamer
De OK buigt zich niet over de vraag of de intrekking geldig was — want aan een voorafgaande vraag wordt al 'nee' geantwoord: was het enquêteverzoek ooit geldig ingediend?
Dat was het niet. De STAK werd bij de indiening niet rechtsgeldig vertegenwoordigd, omdat C niet zelfstandig bevoegd was. Daarmee is de STAK niet-ontvankelijk in het verzoek.
Het beroep op onaanvaardbare doorkruising
C voert aan dat zijn medebestuurders A en B geen beroep kunnen doen op de tweehandtekeningenclausule, omdat hun eigen handelen als STAK-bestuurders nu juist de grondslag vormt voor het enquêteverzoek. Als zij de vertegenwoordigingsbevoegdheid kunnen inroepen om het verzoek te blokkeren, zouden zij volgens C hun bestuurspositie kunnen gebruiken om aan rechterlijk toezicht te ontkomen — een onaanvaardbare doorkruising van het enquêterecht.
Dit argument kent de OK: er bestaat inderdaad vaste rechtspraak dat een onbevoegd ingediend enquêteverzoek niet tot niet-ontvankelijkheid leidt als een beroep op onbevoegde vertegenwoordiging een onaanvaardbare doorkruising van het enquêterecht oplevert. Die uitzondering is gegrond op art. 2:8 lid 2 BW (de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid). Een klassiek voorbeeld: een geschorste bestuurder die namens de vennootschap een enquêteverzoek indient over zijn eigen schorsing — als de vennootschap dan de onbevoegde vertegenwoordiging kan inroepen, onttrekt zij het handelen rond de schorsing aan rechterlijk toezicht.
Waarom deze uitzondering hier niet geldt
De OK wijst het beroep op onaanvaardbare doorkruising af om drie redenen:
-
De kern van het geschil is de VSO, niet machtsmisbruik door A en B als STAK-bestuurders. C's bezwaren gaan over de uitvoering van afspraken in de vaststellingsovereenkomst — een contractuele kwestie die de gewone civiele rechter beoordeelt, niet de OK.
-
C heeft voldoende alternatieve rechtsmiddelen. Hij kan nakoming van de VSO vorderen bij de burgerlijke rechter. De weg naar de OK is niet de enige weg.
-
C handelt niet namens zichzelf maar namens de STAK. De eerdere jurisprudentie betrof situaties waarin een bestuurder of (certificaat)houder in persoon enquêtebevoegd was. Hier gaat het om een STAK als verzoekende partij — en C heeft niet betoogd dat hij voor de toepassing van art. 2:346 BW gelijkgesteld moet worden met een aandeelhouder of certificaathouder.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Controleer de statuten vóór indiening. Heeft de rechtspersoon namens wie u een enquêteverzoek wil indienen een meerdere-handtekeningenclausule? Dan moeten alle vereiste bestuurders of vertegenwoordigers hun medewerking verlenen. Ontbreekt die medewerking, dan is het verzoek van de start af aan niet-ontvankelijk — ongeacht de inhoudelijke sterkheid van de zaak.
De uitzondering op onaanvaardbare doorkruising is smal. De OK past haar streng toe. De uitzondering geldt in essentie alleen als de blokkade van het enquêteverzoek ertoe leidt dat het handelen van de blokkerende partij zelf volledig aan rechterlijk toezicht ontkomt én er geen alternatieve rechtsmiddelen beschikbaar zijn.
Overweeg een bestuursbesluit. Hoewel de OK in het verleden heeft aangenomen dat een bestuursbesluit tot indiening van een enquêteverzoek niet altijd vereist is, verdient het bij twijfel aanbeveling om zo'n besluit vooraf te nemen. Dit versterkt de positie van de verzoekende partij en verkleint het risico op ontvankelijkheidsperikelen.
Heeft u andere wegen? Als de kern van het geschil een contractuele kwestie is — zoals de uitvoering van een vaststellingsovereenkomst — dan is de civiele rechter mogelijk de meest aangewezen weg. Een enquêteprocedure is geen vervanging voor een nakoming- of schadevergoedingsvordering.
Conclusie
Deze beschikking van de Ondernemingskamer is een nuttige herinnering dat procedurale vereisten ook in het enquêterecht zwaar wegen. Een sterk inhoudelijk dossier baat niet als de verzoekende partij al bij de indiening struikelt over de vertegenwoordigingsregels. De uitzondering voor onaanvaardbare doorkruising blijft smal en wordt niet toegepast als de verzoeker voldoende alternatieve rechtsmiddelen heeft.
Als u overweegt een enquêteverzoek in te dienen namens een rechtspersoon, laat de statuten en de vertegenwoordigingsbevoegdheid dan als eerste toetssteen dienen.
Uitspraak
Deze blogpost is gebaseerd op ECLI:NL:GHAMS:2024:3438, beschikking van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam van 17 december 2024.
Heeft u juridische vragen naar aanleiding van deze uitspraak?
Mr. Vincent Besters helpt u graag verder. Neem vrijblijvend contact op voor een eerste gesprek.
Neem contact op →